Publicatie

Het Langreuter melkmachineproject is nu definitief afgesloten met een publicatie in Studium, het Tijdschrift voor Wetenschaps- en Universiteitsgeschiedenis. Het artikel is vrij toegankelijk, zie https://www.gewina-studium.nl/583/volume/10/issue/1/

Het meeste heeft al in deze blog gestaan, maar nu staat het netjes op een rij, met nog wat extra teksten die niet eerder in de blog stonden.

Wat mij betreft is het nu klaar. Op naar het volgende project, te weten het collegediktaat van Alexander Numan uit de eerste helft van de negentiende eeuw.

Wie geen bezwaar heeft tegen Engels, en het leuk vindt om wat te lezen over wat ik aan interessants opgeduikeld heb over de geschiedenis en filosofie van de diergeneeskunde kan terecht op mijn andere blog, PHOAS.blogspot.com

Dank voor jullie aandacht.

Advertenties

Wat we (niet) weten over de Langreuter melkmachine. Een samenvatting als afronding van het project.

Onze zoektocht naar oorsprong, gebruik en historische context van de Langreuter melkmachine is tot een einde gekomen. We zijn anderhalf jaar bezig geweest en we denken dat er op korte termijn geen nuttige informatie meer boven water zal komen. We gaan het project afronden. Tijd voor een samenvatting. Dit wordt dus het laatste blogbericht.

We hebben geprobeerd uit te zoeken waar de Langreuter vandaan komt en hoe hij bij de faculteut Diergeneeskunde is beland. Daar zijn we niet achter gekomen. De archieven van de faculteit, die te vinden zijn in Het Utrechts Archief en in het Rijksarchief in Den Haag gaven hierover geen infomatie. Van geen enkel apparaat dat tussen 1900 en 1920 bij de faculteit is aangeschaft bevinden zich nog rekeningen, inventarislijsten, handleidingen of verantwoordingen in de archieven. Ook via de bouwer van de machine, de firma Maihak in Hamburg, die overigens nog steeds bestaat maar nu iets heel anders doet, kwam geen informatie. Het huidige personeel wist niet waar we het over hadden en na twee wereldoorlogen en de bombardementen van Hamburg valt er niet veel archiefmateriaal te verwachten.

Over de Heureka, de Langreuter-achtige melkmachine die 4 koeien tegelijk kon melken werd door de medewerkers van het Proefstation voor de Zuivel in Hoorn in 1915 gemeld dat de Nederlandse importeur hen in de gelegenheid had gesteld de machine te testen. Het lijkt niet onlogisch dat de Langreuter via een vergelijkbare route in Utrecht terecht is gekomen, namelijk als testobject.

We denken dat er maar weinig Langreuters zijn gebouwd; tijdens onze zoektocht zijn er geen aanwijzingen gevonden dat er nog een andere zou kunnen bestaan

2. Over de ontwerper van de Langreuter, de Deen Jens Nielsen, zijn we meer aan de weet gekomen. Hij heeft meer dan 20 jaar overal (Noorwegen, Duitsland, Zwitserland, Verenigde Staten) patenten toegewezen gekregen op verschillende types van persdrukrollers, de melkmachine die, zoals de Langreuter, met peristaltisch bewegende platen de handen van de melker imiteert. Eén ontwerp, dat onder andere een Zwitsers patent kreeg in 1910, is zeer waarschijnlijk onze Langreuter. Van de modellen van een aantal patenten zijn ook werkelijk machines gebouwd. De Heureka en de Langreuter zijn daar voorbeelden van; van twee oudere ontwerpen worden nu exemplaren tentoongesteld in het Landbouwmuseum in Auning in Denemarken.

Nielsen zelf woonde in Kopenhagen. Zijn adres stond vermeld in een Amerikaans patent, en door adresboeken uit die tijd kwamen we er achter dat hij tegenover een mevrouw Langreuter woonde. Hij stond vermeld als fietsenhandelaar.

3. De historische context hebben we goed in beeld gekregen. Er waren tussen 1895 en 1915 twee concurrerende types melkmachines, de vacuummelkmachine en de persdrukroller. De eerste heeft na 1915 definitief de markt veroverd. Een belangrijke reden daarvoor was waarschijnlijk zijn flexibiliteit en bedieningsgemak; vanwege de losse tepelbekers die met een flexibele slang aan het melkverzamelvat zijn bevestigd past een vacuummachine op alle uiers, onafhankelijk van de stand van de tepels. De persdrukroller is een kistje met bewegende platen waarvan je maar moet afwachten of die om een uier past. We hebben zelf laten zien dat onze Langreuter waarschijnlijk op geen enkele moderne koe zou hebben gepast.

4. In diverse latere artikelen die aandacht besteden aan de geschiedenis van het machinemelken wordt gesuggereerd dat vacuummelken beter was omdat de melk daarvan minder verontreinigd zou zijn met bacteriën en van betere kwaliteit zou zijn dan melk van persdrukrollers. Dat blijkt echter niet zo te zijn: uit testverslagen uit de betreffende jaren wordt duidelijk dat de melkkwaliteit van melk, gewonnen met persdrukrollers, van dezelfde kwaliteit was, of zelfs wat beter was, vergeleken met melk van vacuuummachines. De voornaamste bezwaren tegen de persdrukrollers waren het niet goed passen op de uier waardoor lekkage van melk optrad, het niet kunnen melken van alle koeien wegens het niet passen op elke uier, en de kwetsbaarheid van de trekkabels in geval van de Heureka en dus ook van onze Langreuter.

We hebben gedurende het project veel hulp gekregen en belangstelling ondervonden, vooral vanuit het Universiteitsmuseum in Utrecht en van collega-historici in Denemarken. Met name willen we noemen Jan-Willem Pette, Marcel van Asselen, Hans Miltenburg en Mads Mikkel Tørsleff.

Rest ons nog hierover een publikatie te schrijven.

Tot slot: zoals de Langreuter in het nuseum stond.

img_0088

Hij past niet!

Langreuterblog 8

Eén van de oorspronkelijke doelstellingen waarmee we het Langreuterproject begonnen was na te gaan of we met de machine een koe zouden kunnen melken.

Vanaf het begin hadden we daar al wel twijfels over, vooral vanwege de te verwachten onaangename ervaringen van de koe zelf. Een aantal lezers reageerden op deze blog met opmerkingen over de melkmachines volgens het principe van de persdrukroller, zoals de Langreuter, in de zin van martelwerktuigen. Uit verslagen van experimenten en proeven echter, die werden gedaan met vergelijkbare martelwerktuigen als deze Langreuter, bleek dat de koeien snel gewend waren aan het melken met de persdrukroller en dat ze geen tekenen vertoonden van ongerief.

Omdat ons project moest worden afgerond, en vanwege de organisatorische rompslomp om het melken met onze Langreuter te kunnen realiseren besloten we om af te zien van een dergelijke praktijkproef.

Maar wat ons nog wel bezig hield was de vraag of het technisch gekund zou hebben. Zou de melkunit, de doos met vier gaten en de bewegende platen, wel op een moderne koe passen?

Tijd voor wat metingen.

Eerst werden de maten van de melkunit vastgelegd. Ook werd een mal gemaakt door de deksel van de melkunit met de openingen voor de tepels op een stuk karton te leggen, de omtrek van de openingen na te trekken met een potlood, en die openingen eruit te knippen. Het resultaat is de figuur hieronder, wit karton op een zwarte achtergrond. De maten van de afstanden tussen de openingen, steeds gemeten vanuit het midden van elke opening, zijn weergegeven in de tabel, in de kolom  “melkunit”.

De maten van de openingen zelf zijn, gemeten van links naar rechts resp van voren naar achteren: openingen achter: 66 x 54 mm; openingen achter: 86 x 74 mm. Daarbij moet bedacht worden dat onder die openingen ook nog de persdrukplaten bevestigd zijn, waar de tepels ook nog tussen moeten. Niet zoveel ruimte dus.

voorIMG_0182achter

Om na te gaan of en hoe de tepel van een koe in de openingen zou passen werd ook de diepte van de openingen van de melkunit gemeten. De persdrukplaten zelf waren elk (2 voor, 2 achter) 95 mm hoog en de hoogte vanaf de onderkant tot aan de bovenkant van de kast (de maximale tepellengte) was 106 mm.

 

Met deze gegevens op papier, en met de mal en een meetlint in de hand, hebben we een zestal koeien de maat genomen. Geholpen door Wim Lensing van de Proefboerderij de Tolakker van de Faculteit Diergeneeskunde in Utrecht hebben we metingen gedaan in de melkput, tijdens het melken, want dan staan de koeien stil in afwachting van het moment dat ze gemolken moeten worden, of erna voordat ze de melkput uit mogen. We hebben de afstanden tussen de spenen en de lengte van de spenen gemeten en ook getest bij een aantal andere koeien of de kartonnen mal van de melkunit-deksel op een uier past.

De resultaten van de metingen staan in de tabel.

 

tepelmetingen (in mm)

koe nummer                             1              2         3            4           5          6       melkunit

afstand tussen voorspenen:    180      115      100       150       100       135            115

idem tussen achterspenen:      130      60        40        70        20       100              95

idem tussen spenen links:       120      150       110      130       150      140           85-90

idem tussen spenen rechts:     140      160      100      100       120      130          85-90

tepellengte:                                    35    50-65                   60        60         55          95 / 106

 

 

Daar zijn wel een paar conclusies uit te trekken.

Er is een enorme variatie in de afmetingen van de uiers waar het gaat om de afstanden tussen de tepels. Sommige van de afstanden komen wel enigszins overeen met de vergelijkbare maten van de melkunit maar er is geen enkele koe van de zes die we gemeten hebben die zonder geruk en getrek op de melkunit zou hebben gepast. De foto hieronder illustreert dat duidelijk: als de mal al past op de voorste twee spenen rechts, dan vallen de twee achterste spenen buiten de mal. Volgens Wim Lensing zitten de twee achterste spenen bij sommige koeien zo dicht op elkaar dat zelfs de tepelbekers van de vacuüm melkmachine er nauwelijks tussen passen.

IMG_0180

De tepels van de koeien zijn ook erg kort in vergelijking met de lengte die in onze melkunit beschikbaar is. Het is niet duidelijk wat de gevolgen daarvan zouden kunnen zijn bij het melken met de Langreuter. Misschien schieten de tepels er gemakkelijker uit, omdat de platen onvoldoende houvast hebben aan de tepels.

Samenvattend kunnen we concluderen dat, als de koeien van de proefboerderij representatief zijn voor de melkkoeien van nu, de Langreuter niet gepast zou hebben. De maten van de uier zijn heel variabel, en in veel gevallen afwijkend van de gefixeerde afstanden van onze melkunit.

Maar we hadden het kunnen weten!

In het verslag van de test van de Heureka melkmachine, uit het vorige blogbericht, komt de volgende passage voor (pag.40): “In zooverre was een afwijking van het proefplan noodzakelijk, dat van de acht machinemelkkoeien slechts zes geregeld met de Heureka gemolken konden worden, doordat bij één koe de afstand der voorspeenen zóó groot was, dat de constructie te smal bleek, terwijl de andere kleine zijwaarts uitstaande speenen bezat, die niet in de speenhouders bleven. …. Een en ander gaf den indruk dat men bij het gebruik van deze machine terdege op moet letten bij het aanschaffen van koeien, of de stand der speenen regelmatig en niet te wijd is; ook zeer korte speenen maken het melken soms bezwaarlijk”.

 

Eén van de redenen dat de vacuummachines het beter hebben gedaan dan de persdrukrollers zou dus kunnen zijn dat de veehouder die vacuum molk bij de aanschaf van koeien geen rekening hoefde te houden met de maten van de uiers van de koe. Je gaat je koeien niet aanpassen aan de melkmachine en de koeien die niet passen daarom afvoeren!

 

Testresultaten

Langreuterblog 7

Van melkmachines die in hun werking de handen van de melker imiteren, en die we hier persdrukrollers hebben genoemd, zijn, in de tijd vóór ongeveer 1915, verschillende patenten te vinden in de archieven van octrooiburo’s. Er blijken echter maar weinig van deze machines gebouwd te zijn en of die verder zijn gekomen dan een prototype is maar zeer de vraag. Toch zijn er wel machines getest op proefboerderijen en landbouwstations, waarvan in de literatuur ook de testresultaten beschikbaar zijn. We bespreken er hier twee, de eerste omdat het ging om een onderzoek waarbij een vergelijking werd gemaakt met vacuümmachines en de andere omdat het zeer waarschijnlijk een wat meer geavanceerde versie betrof van onze Langreuter.

De eerste te bespreken test werd uitgevoerd in Frankrijk en de resultaten zijn samengevat in een artikel in La Gazette de Village van 1912 (1). De auteur beschrijft de resultaten zoals die werden meegedeeld door een leraar aan een landbouwinstituut in Gournay. Daar werden 4 machines getest, 2 vacuümmachines en 2 persdrukrollers (zoals de Langreuter). Van de laatste categorie werd er overigens van de 2 maar één beschreven, een Zweedse Alfa-Dalén machine. Die was drie jaar eerder ook al beschreven in dezelfde krant (2). Deze machine werkte op perslucht waarmee vier zuigers in beweging werden gebracht die de peristaltisch bewegende platen aanstuurden waarmee de uiers werden “gemolken”. De illustratie uit die krant is hier overgenomen.

dalen

De Alfa-Dalén machine deed het in de test heel goed. Alle vier de machines functioneerden overigens goed en geen had nadelige gevolgen voor de koe. De vacuümmachines molken minder goed uit maar de Alfa-Dalén machine molk net zo goed uit als handmelken. Geen van de machines had invloed op de opbrengst van boter. Op het gebied van hygiene deden de vacuümmachines het wat minder maar dat kon worden verbeterd door goed reinigen van uier en machine. De tijd nodig voor het melken van één koe was met handmelken het laagst, 5 à 6 minuten, waar de machines 8 à 10 minuten nodig hadden, maar met de machines konden meerdere koeien tegelijk gemolken worden. In een prijsvergelijking wogen de kosten van de aanschaf van de melkmachines op tegen de kosten van arbeid.

De andere hier te bespreken machine is de Heureka, een Deense melkmachine die getest is door de Proefzuivelboerderij in Hoorn, waarvan de resultaten werden gepubliceerd in het jaarverslag over 1915 (3). Bij bestuderen van de beschrijving van de melkmachine lijkt dat  het zeer waarschijnlijk gaat om een opvolger van de Langreuter. Het aandrijfmechanisme is anders, omdat het om een machine gaat waarvan er meerdere naast elkaar in een stal staan, voor elke koe één, die gezamenlijk worden aangedreven door een gemeenschappelijke electromotor. Het vervolg van de beschrijving van de werking van de Heureka is in feite een beschrijving van de melkunit zoals we die kennen van de Langreuter. Er zijn bij het artikel twee foto’s afgebeeld, waarvan de eerste hier is overgenomen.

heureka

De stalknecht links houdt in zijn rechterhand een melkunit vast die vergelijkbaar is met, zo niet identiek is aan, de melkunit van de Langreuter. Dit model van de Heureka wijkt echter duidelijk af van een antieke melkmachine die onder naam Heureka bij de Landbouwhogeschool van Kopenhagen te vinden is en die ook op naam van Jens Nielsen staat (4).

In het jaarverslag van Hoorn wordt veel ruimte gegeven aan tabellen met de chemische samenstelling van de op verschillende manieren gewonnen melk, één van de speerpunten van het onderzoek van de proefboerderij. De uitkomsten van de voor ons meer relevante grootheden, zoals melkopbrengst en de tijd nodig voor het melken van één koe, werden in het verslag vergeleken met de resultaten van een vergelijkbaar Deens onderzoek met dezelfde machine.

In de resultatenbeschrijving van het Hoornse onderzoek is steeds een vergelijking gemaakt met het handmelken. De melkopbrengst bij melken met de Heureka was vergelijkbaar met die van handmelken. Voor het uitmelken werd gevonden dat de hoeveelheid achtergebleven melk in de uier varieerde per koe, maar dat gemiddeld de handgemolken koeien het beter deden dan Heureka koeien bij wie relatief veel melk in de uier achterbleef. Ook vacuum-gemolken koeien, uit eerdere onderzoeken, deden het met uitmelken beter. Ook de snelheid van melken werd vergeleken. Die was met de Heureka hoger (0,98 kg/min) dan met handmelken (0,84 kg/min) die zelf weer beter was dan met vacuummelken (0,7 kg/min). Maar wanneer er met twee of meer Heureka machines tegelijk werd gemolken nam de opbrengst per koe af, omdat in het begin en het eind van de melking er van twee machines er (tijdelijk) maar één werkte.

De verwachtingen ten aanzien van de hygiene met de Heureka waren groot: bij vacuummelken moest de melk een lange weg afleggen door buizen en omdat er ook aanzuigen van stallucht plaats vond was het bacteriegetal meestal hoger dan van handmelken. Bij een persdruksyteem ontbreken die factoren. Maar het resultaat viel tegen. Het deel van de machine dat wij de melkunit noemen, en dat tegen de uier aanhangt, slingert aan de uier heen en weer vanwege de bevestiging met de ophangbanden, waardoor de stallucht toegang krijgt tot de melk en er soms melk over de melkunit loopt. Een duidelijke verbetering trad op wanneer de uiers van de koeien vooraf gewassen werden; dan daalde het bacteriegetal vaak tot beneden dat van handmelk.

In het algemeen, zegt het verslag, zijn de resultaten wel gunstiger dan bij vacuummelken.

Is er dan niks bezwaarlijks tegen de persdrukmachines in te brengen? Jawel!

In de eerste plaats is er veel gedoe met het bevestigen van de melkunit aan de uier met behulp van de banden, wat de snelheid van het melken vaan een groot aantal koeien niet bevordert. Dat is een bezwaar dat tegen de Alfa-Dalén is aangevoerd. Ook bij de Heureka was dat een bezwaar: de schrijver deelt mee dat steeds weer opnieuw moet worden gecontroleerd of de instelling nog wel goed is; deze hangt af van de grootte van de uier en de plaats van de tepels. In tegenstelling tot de Langreuter heeft de Heureka een stelschroef waarmee de instelling kan worden aangepast aan de koe. Weer ander bezwaar, dat geldt voor de Heureka, is dat de trekkabels snel roesten en vaak na verloop van tijd breken.

Een groot bezwaar tegen de Langreuter dat we zelf gevonden hebben is de manier waarop de melkunit wel of niet op de uier past. Maar dat is het onderwerp van het volgende blogbericht.

1)  F.Lesourd, ‘La traite mécanique des vaches. Résultats d’ experience’. La Gazette de village. Journal républicain, politique et agricole, 1912, p 200.

2) L.Dubois, ‘La traite mécanique des vaches’. La Gazette de village. 1909, p 775.

3)  J.J.Ott de Vries, ‘Proefneming met de “Heureka” melkmachine’. Vereeniging tot Exploitatie eener Proefzuivelboerderij te Hoorn, Verslag over het jaar 1915. 1916, 34-56.

4) https://www.kulturarv.dk/mussam/VisGenstand.action?genstandId=7411772

De Langeuter in bedrijf (zonder koe)

Langreuterblog 6

Het valt niet zomaar te begrijpen hoe de persdrukroller als melkmachine gewerkt heeft. Daarom hebben we een paar videofilmpjes gemaakt van de in bedrijf gestelde Langreuter.

Uitgangspunt is de hieronder geplaatste tekening van van het binnenwerk van de melkunit, dat is dat deel van de machine dat onder de koe om de uier wordt gehangen en de de tepels leeg drukt waardoor de melk vrijkomt. De tekening is voor ons gemaakt door Marcel van Asselen, van de afdeling Engineering van Instrumentatie van de Universiteit van Utrecht.

Afbeelding1

De tekening laat het binnenwerk zien, maar het is ondersteboven afgebeeld. De melkunit zelf is een doos, met een deksel met daarin een zeef voor het opvangen van de grovere delen in de melk. De twee platen rechts drukken op de achterste tepels, de platen links op de voorste tepels (de staart van de koe zit dus van ons uit gezien rechts).

De platen worden in beweging gebracht door twee trekkabels, die in feite op de platen duwen, en die links met de platen zijn verbonden. De bovenste kabel (op de tekening de onderste) begint met duwen waarna de onderste (op de tekening dus boven) langzaam de tepel van boven naar onder leeg duwt. Dan laat de aandrijver, het mechaniek met de tandwielen die de trekkabels bedienen, de kabels losschieten in hun beginstand en de peristaltische beweging van de platen begint weer opnieuw.

We hebben vier korte filmpjes gemaakt van deze beweging. Ze duren elk maar ongeveer 10 seconden en ze zijn van enige afstand gemaakt omdat we de aansturing door de aandrijver ook zichtbaar wilden maken. Het helpt om ze een paar keer te bekijken.

In film 1,  https://www.youtube.com/watch?v=MqODuJ-RVfE is alleen het binnenwerk getoond en kijk je naar de beweging van onderaf.

In film 2,  https://www.youtube.com/watch?v=SwSEmRAv9pY zijn de tepelvoeringen toegevoegd, oorspronkelijk rubberen hulzen die om de tepels pasten en de tepels beschermden tegen mechanische beschadiging. Het rubber was na 100 jaar verteerd en is nu vervangen door een foamhuls.

In film 3, https://www.youtube.com/watch?v=KK6DssmKs-o kijk je tegen de zijkant van het binnenwerk aan; je kunt goed zien dat de platen beginnen met bovenaan te drukken en dan de beweging naar beneden toe voortzetten.

In film 4,  https://www.youtube.com/watch?v=oU-asNGUIec is het binnenwerk in de unit teruggeplaatst, maar het deksel is naar links opengeklapt.

De koe op de achtergrond is voor het mooi. Het is een koeienhuid, over een toestel gedrapeerd dat gebruikt wordt als kunstkoe bij het opvangen van sperma van stieren.

De Langreuter-Nielsen connectie

Langreuterblog 5

Soms levert bronnenonderzoek leuke bijvangst op, dat wil zeggen dat er gegevens worden gevonden die niet direct relevant zijn voor de onderzoekvraag maar op zichzelf interessant genoeg zijn om wat nader op in te gaan. Onderstaand verhaal is zo’n bijvangst-resultaat.

Uitgangspunt voor al onze zoektochten was het etiket op de melkmachine: als naam van de machine werd “Langreuter” aangegeven en als patenthouder “Jens Nielsen” (zie Langreuterblog 1). Ondanks dit gegeven zijn we er tot nu toe niet in geslaagd aanwijzingen te vinden wanneer, waarom en door wie deze melkmachine tussen 1910 en 1920 is aangeschaft bij de Rijksveeartsenijschool en ook hebben we eenzelfde machine elders in de wereld niet kunnen lokaliseren. Blijkbaar is onze Langreuter tamelijk uniek. Maar we hebben het etiket niet helemaal voor niks als beginpunt genomen, want over Jens Nielsen hebben we wel het een en ander gevonden. Maar er is meer.

Eén van onze contactpersonen in Denemarken liet ons weten dat in de eerste decennia van de twintigste eeuw Langreuter de naam was van een bekende handelsfirma. Die firma zou dus geen melkmachines hebben geproduceerd. Dat suggereerde dat er misschien een ander soort connectie zou kunnen zijn geweest tussen Nielsen en Langreuter die niet uit het etiket zou zijn af te leiden, namelijk dat Nielsen misschien in dienst zou kunnen zijn geweest bij Langreuter of een relatie had met de firma in de vorm van sponsoring of iets dergelijks. Van Jens Nielsen weten we inmiddels nog wel wat meer; hij heeft namelijk een flink aantal patenten voor melkmachines gedeponeerd in diverse landen en in één van de Amerikaanse patenten heeft hij zijn adres vermeld (zie Langreuterblog 3). Misschien zou zoeken op internet op de combinatie van Nielsens adres en de naam van Langreuter meer duidelijkheid geven over wat die twee met elkaar te maken hebben gehad. Het resultaat was verrassend!

Het eerste resultaat van de combinatie Vester Voldgade 7 in Kopenhagen met Langreuter waren twee afbeeldingen van het “politieregister” van Kopenhagen, een soort mededeling in het bevolkingsregister van de stad, met wie waar zijn intrek had genomen; in 1914 bijvoorbeeld woonden er een muziekstudent en een electricien op Vester Voldgade 8 bij Langreuter. Toen we dat aanknopingspunt eenmaal hadden kwamen er meer en ook meer relevante gegevens tevoorschijn, onder meer uit , Kraks Vejviser, een adresboek van Kopenhagen in de eerste jaren van de 20e eeuw. Al deze gegevens kunnen we als volgt samenvatten:

Mevrouw Mary Mathilde Elisabeth Langreuter, geboren op 3 mei 1860 in Herlufmagle, in 1896 naar Kopenhagen verhuisd, runde vanaf 1904 een pension aan de Vester Voldgade 8, waar in 1906 behalve zijzelf nog 11 mensen woonden. In datzelfde jaar woonde op Vester Voldgade 7 (ook een adres met meerdere personen, dus mogelijk ook een pension) Jens Nielsen, van beroep Cyklehdl, een afkorting die zeer waarschijnlijk fietsenhandelaar betekent. In het genoemde adressenboek staan de even en oneven huisnummers in twee aparte kolommen, wat suggereert dat het om twee aparte rijen huizen ging. Mary Langreuter en Jens Nielsen hebben dus min of meer tegenover elkaar gewoond.

De firma Langreuter trouwens was heel ergens anders gehuisvest.

We weten nu natuurlijk niks meer over de melkmachine dan we al wisten, behalve dan waar hij mogelijk zijn naam aan ontleend heeft.

Heeft er zich een romance afgespeeld?

 

Enige Internetbronnen:

Kraks Vejviser 1906 http://cld.bz/IHSrduu#483/z                                                                                p. 501, Vester Voldgade 7: Nielsen, Jens, Cyklehdl                                                                              p. 502, Vester Voldgade 8: Langreuter, Mary, Frøken

http://www.politietsregisterblade.dk/component/sfup/?controller=politregisterblade&task=viewRegisterblad&id=1398859&searchname=polit_adv

Melkmachines in drie soorten. Langreuterblog 4.

Van oudsher worden koeien met de hand gemolken. Maar al vroeg in de negentiende eeuw werd er nagedacht over mechanische methodes die het handmelken zouden kunnen vervangen.

Het is niet de bedoeling een historisch overzicht te geven van de ontwikkeling van melkmachines; zie daarvoor het artikel van Miltenburg en Strikwerda (1). Volstaan wordt met inzicht te geven in de drie typen van melkmachines die ruim één tot anderhalve eeuw geleden hebben bestaan, aan de hand van historische tekeningen.

De alleroudste poging tot mechanisatie van de melkwinning is die van de “milking syphon”, een systeem waarbij holle buisjes in de tepel werden ingebracht, met de bedoeling het tepelkanaal permanent open te zetten waardoor de melk vrij naar buiten kon lopen; die werd dan via slangetjes opgevangen in een emmer. Het idee is bedacht en beschreven door de Engelsman Blurton in 1830. De tekening hieronder geeft het principe ervan weer.

syphon

Bron: Miltenburg en Strikwerda (1)

Het ligt voor de hand dat dit onvoldoende werkt. Om de melk uit de uier te krijgen is ook nodig dat de melkklieren worden geprikkeld tot melkproductie, wat met handmelken wel kan worden bereikt maar met de buisjes niet. Bovendien is de kans groot dat er beschadiging en ontsteking van de tepelkanalen optreedt; bovendien kunnen ziektes via besmette buisjes worden overgebracht, en kan er vet achterblijven (2).

Twee andere methodes die lang naast elkaar hebben bestaan berusten op imitaties van de methoden van melkwinning in de praktijk: het melken met de hand en het drinken van het kalf. Het handmelken werd nagebootst met een apparaat waarvan het principe is, dat van boven naar beneden tegen de uier en de spenen aanrollende walsen de melk uit de uier persen of drukken, de pers-drukroller. Dit type apparaat is op grote schaal gepatenteerd en ook gebouwd; een voorbeeld is de pers-drukroller van Pijttersen, Carstens en Pijjtersen in Sneek. De tekeningen hieronder uit het Zwitserse patent van 1893 laten zien hoe dit ging.

pijttersen patent

De doorsnede van figuur 2 toont de twee walsen; die persen in de beweging naar beneden toe, in de richting van de pijlen, de tepel leeg, laten dan de tepel los in hun verdere beweging naar boven en beginnen dan opnieuw. Het apparaat van Pijttersen is ook echt gebouwd, maar heel succesvol was het niet. Ook de Langreuter van het Universiteitsmuseum in Utrecht werkt volgens dit principe, zoals in de vorige blog is uitgelegd.

Het derde type melkmachine, waarbij het zuigen van het kalf wordt nagebootst, werkt met vacuüm, waarmee de melk uit de uier gezogen wordt. Ook daarvoor zijn al vroeg ontwerpen gepatenteerd en machines gebouwd. Een model dat veel aandacht kreeg, de “cow milker”, van Kershaw en Colvin, was een apparaat dat op de landbouwtentoonstelling van 1862 in Londen werd gedemonstreerd. De onderstaande tekening van de machine (links) komt uit een verslag over de tentoonstelling in een Duits technisch tijdschrift (http://dingler.culture.hu-berlin.de/article/pj167/ar167106).

Colvincow milker

De rechter tekening (http://www.scientificamerican.com/slideshow/agriculture-1863-machines-from-archives-scientific-american/) laat (overigens niet zo duidelijk) zien hoe de machine in de praktijk werd gebruikt; volgens de Duitse beschrijving bij de linker figuur dienen de beide hendels, aangegeven met de letter s, om een soort zuiger voor ieder paar tepels in beweging te krijgen, waarmee vacuüm werd opgewekt. Het moet een moeizaam werk geweest moet zijn. Bovendien moet een constant vacuüm aan de tepels voor de koe een pijnlijke zaak geweest zijn. Het zou daarom nog even duren voordat het systeem in de praktijk zou voldoen. Dat was het geval toen in 1895 de pulsator werd geintroduceerd in de vacuümpomp, die maakt dat er naast de zuigfase ook een rustfase in de pomp tot stand komt, waardoor het melken beter verloopt. Dit principe wordt in het moderne machinemelken nog steeds gebruikt.

Dat betekent overigens niet dat de competitie tussen de pers-drukroller en de vacuüm machine direct voorbij was. Een pers-drukroller van het model Heureka werd nog in 1915 op het proefstation van Hoorn getest; dit model was ontworpen door Jens Nielsen die ook onze Langreuter heeft ontworpen (3). Tot 1910 werden in de Verenigde Staten voor beide typen melkmachine evenveel patenten geregisteerd bij het Amerikaanse Patentbureau (4). Maar in 1920 werd het niet meer nodig gevonden over de pers-drukrollers te schrijven anders dan als een voetnoot in de geschiedenis van het machinemelken; lees bijvoorbeeld het artikel van Orr uit 1920 (5). Waarom de pers-drukroller de competitie verloren heeft, anders dan dat de pulsator het zo goed deed, wordt in de verhalen over de geschiedenis van het machinemelken nergens duidelijk uitgelegd.

  1. H.Miltenburg en R.Strikwerda. De lange weg van melkmeid tot melkrobot. Bijna twee eeuwen geschiedenis van machinaal melken. Veeteelt, 2009, 26, 60-63
  2. H.M. Kroon. Het melken. Een bevattelijk boekje voor den veehouder, 1897, Doetinchem, C. Misset, p. 45
  3. Persoonlijke mededeling van Anton Rosenbom (Denemarken)
  4. http://www.americanartifacts.com/smma/milker/patgraph.htm
  5. T.Orr. Milking machines and the production of clean milk. Public Health, 1920, 33, 85-92